Inner peace

29 nov

In het ruim van een schip ligt een pakje met mijn adres erop. Daarin zit een boek met ergens in de titel “inner peace”. Ik heb dit zelf besteld en ik was niet dronken. Hoe goed het zelfhulpboek straks ook is, mijn innerlijke 25-jarige zal nog een tijd met haar kop tegen de muur blijven beuken. In 2012 zwicht ik waarschijnlijk ook nog eens voor de cursus Zingen met Lef en dan vrees ik dat zij in nachtmerries zal verschijnen, wanhopig roepend: “Wat is er met je gebeurd?”

Aan het eind van de vorige eeuw vroeg ik mijn vrienden om mij een ram voor mijn kop te geven als ik:

a. na mijn 30ste nog zou dansen in het openbaar
b. een creatieve cursus zou volgen om mezelf lekker te ontwikkelen
c. een aanzienlijk deel van mijn boekenkast uit zelfhulpboeken zou bestaan
d. alsnog spiritueel zou worden

Dankzij de Spiritest van Trouw weet ik dat ik qua puntje d nog redelijk op koers zit. Maar nu ik de Esta-gerechtigde leeftijd ruimschoots bereikt hebt, kan ik me ineens niet meer zo goed herinneren waarom a, b en c zo belangrijk waren. Of eigenlijk, ik weet het nog precies, maar ik houd me niet aan mijn afspraken. Voor een deel komt dat door dat gevoel van bevrijding, waar ik vrouwen van 40 altijd al over heb horen praten. Laatst was ik bijvoorbeeld bij een concert van Pete and the Pirates. De zanger vroeg het publiek om dichterbij het podium te komen. Daarmee bedoelde hij vast niet de herintredende moeders met handtassen. Maar who cares?

Helaas speelt er meer dan bevrijding of – vrij naar het nare motto van Stacey Rookhuizen – “overal schijt aan hebben”. Mijn creatieve geontwikkel, het oeverloze concertbezoek, dit geblog, het zijn volgens mij gewoon manifestaties van een naderende dames-midlifecrisis. Een crisis ja, inclusief strohalmen en slecht gekozen schuilplaatsen. Voorlopig wacht ik tot het schip met de oplossing uit Amerika er is, maar misschien is het effectiever als iemand mij snel even een ram voor mijn kop komt geven.

(Over dat inner peace-boek in 2012 meer. Mijn H riep al: “Inner peace? Nou, dat liekt mie wel wat vies.”)

Foto: sxc.hu 

Mauro in Disneyland

31 okt


Volgens de Franse filosoof Baudrillard (1929-2007) bestaat Disneyland om ons zand in de ogen te strooien.  Het pretpark verhult dat Amerika buiten Main Street U.S.A. even onecht is. De kinderlijke, felgekleurde wereld met de saloon, de Mickey Mouse Parade en roze lollies geeft ons het gevoel dat elders de volwassenen wonen. In het ware leven.

Als je Disneyland uitstapt, wacht daar eerst de desolate parkeerplaats. Het contrast tussen het suikerspinuniversum en het asfalt overtuigt je nog eens extra van de grens tussen fantasie en werkelijkheid. Hierdoor heb je niet door dat je – terug in Los Angeles – ook in een hyperrealistisch decor rondrijdt. Bij Baudrillard is het verlaten van Disneyland een perfect overgangsritueel, zodat je zonder twijfels de gewone wereld kunt accepteren zoals deze je wordt voorgeschoteld.

Ik moet hier steeds aan denken bij de berichten over Mauro. It’s a small world after all. Zou hier een soortgelijk mechanisme van toepassing zijn? Bevestigt de zaak Mauro ten onrechte het beeld dat immigranten in principe een rechtvaardig welkom krijgen?

We herhalen het steeds: dit is het ‘schrijnende’ geval. Maar is dat wel zo? En zou het zo zijn dat kiezers nu gesterkt zijn in hun vertrouwen dat politici zich heus opwinden als er ‘echte’ misstanden zijn? Zou het zelfs kunnen dat de zaak Mauro voor dit doel uitgebuit wordt?

Misschien is dat te cynisch. Het kan zijn dat de aandacht voor Mauro organisaties als Vluchtelingenwerk en Amnesty helpt. Bijvoorbeeld bij hun strijd tegen onze gewoonte om asielzoekers zonder proces op te sluiten. En er zijn vast ook veel mensen die zich herkennen in de column van Bas Heijne over onze stijl van omgaan met immigranten (samengevat, de titel was ‘schaamte’). Toch zal het door mijn hoofd schieten, als Mauro toch mag blijven.
Is dit een dagje Disneyland?

Handgeschreven monument

3 mei

Hij had een winkel op de hoek van de Korte en Grote Houtstraat. Hij was drie jaar ouder dan ik toen hij stierf. Dat was in Polen, in 1944. Hij had dezelfde achternaam als Anne.  Zonet schreef ik zijn naam op. André Frank. Nu blijf ik aan hem denken.

Ruim 700 Joodse Haarlemmers werden weggevoerd in de Tweede Wereldoorlog. Zij kwamen niet terug, heet dat dan. Vermoord. Bij het Noord-Hollands Archief kun je vandaag en morgen een naam opschrijven van één van die Haarlemmers. Zo ontstaat een handgeschreven ‘mo(nu)ment van herinnering’.

Het papier is kwetsbaar. Blijven de namen hangen? De mensen die even uit de lentezon bij het archief binnenlopen, zullen in elk geval die meterslange lijst met namen niet vergeten. En zeker niet die ene naam op dat briefje. Wie was dat? En hoe zou de stad zijn geweest als hij of zij in vrijheid had kunnen leven, zolang als de natuur dat bedacht had?

Schrijf mee is op 3 mei tot 20:00 en op 4 mei van 09:00 tot 16:00. Je kunt gewoon binnenlopen bij het Noord-Hollands archief, Jansstraat 40.

Mentale rampoefening

20 apr


In de jaren ’90 werkte ik heel kort in een lunchcafé waar alleen lesbische stellen en de chiquere zwerver kwamen. De zwervers zag ik vaak later op de dag in de kantine van de universiteitsbibliotheek, waar ze hardop lazen in Kierkegaard. Mijn zus kwam eens langs in het café en zei: ‘Het doet me een heel klein beetje aan Fawlty Towers denken.’ Ik kon namelijk wel – met glimlach – heel netjes de koffie en broodjes op tafel zetten, maar verder deed ik alles rennend, met rode wangen en veel pannengekletter.

De indrukwekkendste klant was de Britse A., die altijd koffie of een glas rode wijn bestelde. Wat het ook was, na een aantal slokken begon hij erbarmelijk te huilen. Geen zacht gesnik met de blik naar de tafel, maar echt janken met tranen. Ik bracht dan soms een glaasje water, maar meestal ging ik even naar de keuken. Mijn vriendin, die op andere dagen werkte, ging wel met hem praten en ze vertelde me dat hij zijn kinderen in Engeland niet meer mocht zien. Hij werd alsmaar overvallen door gedachten aan wat hij had gehad. Triest geval, concludeerden we, maar we moesten ook een beetje lachen om zo’n vreemde vogel in de lunchtent.

Lang dacht ik, als ik ooit aan lager wal en echt in de war geraak door het leven zelf, dan zal ik kluizenaar zijn. Zoals een buurtgenoot, die het licht uitdoet met Sint Maarten en nooit bezoek krijgt. De meeste mensen die ik ken zullen na grote rampspoed aan de drank gaan of gewoon noest doorleven, maar ik zou dus een beetje vervuilen en de gordijnen dichthouden. De vrouw die alles had, maar zich toen afsloot. Inmiddels weet ik dat dit wishful thinking was. Ik moet zorgen dat ik mijn hoofd erbij houd, want ik heb meer A. dan kluizenaar in me. Zelfs nu ik bijna alles nog heb, kan ik het ene moment vrolijk meebrullen met Blondie op de radio om vervolgens totaal onverwacht in huilen uit te barsten. Dit weekend in Parijs moest ik snikkend de übertoeristische Place du Têtre verlaten, denkend aan een oud schoolreisje.

Het is natuurlijk niet zo nuttig om na te denken over de vraag wat voor gek je mogelijk zult worden. En oneerlijk, omdat een melancholische aard en zware psychische problemen heel ver uit elkaar liggen. Ik zag A. waarschijnlijk toen het eigenlijk nog heel goed met hem ging.

Gezonder dan mijn mentale rampoefening is het lezen van boeken over mensen op de rand van diepe melancholie / jeugdsentiment en gekte. Eventueel kan ik dan in de beslotenheid van de slaapkamer een beetje snikken. Bijvoorbeeld bij Baby Storm van Wanda Reisel, Buzz Aldrin, Waar ben je gebleven van Johan Harstad of – net uit – Magnus van Arjen Lubach.

Shteyngart moet je nu lezen

15 mrt


‘Pas op met puberale parafernalia, zoals iPhones’, waarschuwde de schrijfjuf. Logisch, want bij de cursus Korte Verhalen voor Beginners ligt de lat natuurlijk bij het schrijven van tijdloos, universeel aansprekend proza. Literatuur. En dat lukt niet als je van die gadgets in je tekst stopt die drie maanden later alweer vergeten zijn. Gelukkig heeft Gary Shteyngart deze gouden regel genegeerd.

Shteyngarts satirische roman Super Sad True Love Story speelt in de ‘zeer nabije toekomst’. Iedereen heeft een ‘äppärät’, een soort iPad 8. Mensen gebruiken het voor vrijwel alle sociale contacten. Als je over straat loopt, verschijnt in zuilen informatie over je bloedruk, je cholesterolgehalte, je vermogen en je fuckability-score. De enige inbreuk op de privacy waar mensen nog aanstoot aan lijken te nemen, is een praatje maken buiten het äppärät om.

Voor Lenny Abramov, 39, zijn alle veranderingen te snel gegaan. In het vliegtuig vraagt zijn buurman hem om zijn boek weg te leggen, omdat het stinkt. Doordat hij die papieren dingen hardnekkig blijft aanschaffen, blijft zijn persoonlijkheidsscore laag.

Lenny heeft een baan bij Post-Human Services, een keihard bedrijf dat onsterfelijkheid verkoopt aan de superrijken. Zijn rol daar is onduidelijk. De kans dat hij zelf in aanmerking komt voor de eeuwige jeugd lijkt steeds kleiner. Daarbij wordt hij – hoe ouderwets – smoorverliefd. Zijn liefde, Eunice Park (24), is een kind van haar tijd. Persoonlijkheid kun je kwantificeren, uiterlijk is alles. Dat zij toch al snel bij Lenny intrekt, is meer toeval dan true love.

Voor Shteynbergs äppärät geldt de waarschuwing van de schrijfjuf natuurlijk niet helemaal, want het bestaat niet echt en het heeft futuristische functionaliteiten. Maar: Shteyngart gebruikt het om zijn visie te geven op de technologie die we nu gebruiken. Waaronder die vermaledijde iPhone, die kort voorbij komt als relikwie. Net als websceptici als Nicholas Carr en Sherry Turkle lijkt hij te vrezen dat we afstevenen op een keiharde, snelle samenleving waarin ingewikkelde emoties als empathie verdwijnen. En dat maakt dit dus geen tijdloos werk, maar een ‘get it while it’s hot’-roman. Daarom is het ook zo wonderlijk dat er nog geen vertaling van verkrijgbaar is. Want dit boek moet je nu lezen.

Hoe red ik de bibiotheek?

25 jan

Ik voel een “Rettet die Ampelmännchen”-onrust. In 1998 woonde ik even in Berlijn en daar hingen overal posters met grappige mannetjes uit DDR-stoplichten. Daarbij verontrustende teksten. Ze moesten wijken voor ongezellige West-Duitse lampengasten. Mijn probleem met die posters was niet de keuze voor of tegen, maar meer: wat moet ik doen? Ik kon niet goed genoeg Duits. Stond er nu een concrete oproep tot straatprotest? Of waren het nostalgische pamfletten? Konden die Ampelmännchen nu gered worden of was de bestelling voor de nieuwe stoplichten eigenlijk al geplaatst?

Precies dat gevoel krijg ik van de acties van Ernest van de Kwast en Abdelkader Benali. Zij willen de bibliotheek redden. Maar: hoe laat ik waar moet zijn, dat staat er niet bij. En daar word ik passief van. Hopen de schrijvers dat ik de straat op ga? Zal ik een oproep doen om onze bieb leeg te halen? Of willen ze vooral dat ik erover nadenk en dat ik - zoals Benali op Facebook vroeg - mijn mooie biebherinneringen koester en uitdraag? Of zal ik me er gewoon maar bij neerleggen dat bibliotheken moeten bezuinigen?

Nog steeds baal ik een beetje dat ik in 1998 vertwijfeld in mijn wodka staarde terwijl ik had kunnen bijdragen aan de sympathiekste reddingsactie van de eeuw. Met die Ampelmännchen is het namelijk best goed afgelopen. Daarom zet ik dit nu toch maar snel online:

Mijn Gouden Red De Bieb Tip
In Denemarken heeft elk middelgroot stadje (dat is daar: alles vanaf de grootte van Veldhoven) een supersonische bibliotheek, ontworpen door een internationaal gerenommeerd architect. Daar omzeilen ze dat hele ontlezingsverhaal gewoon door je binnen te lokken met paspoortophaalloketten, gratis wifi, cappuccino en andere zaken waar je niet omheen kunt. Uiteindelijk kom je onvermijdelijk uit bij de Echte Boeken. Of bij Echte Mensen, die kinderen en andere zoekenden wegwijs maken in de infojungle. En nu mijn tip. Van wie moesten we ook alweer Denemarken als voorbeeld nemen deze regeringsperiode? Precies. Misschien moeten we de PVV eraan te herinneren dat Denemarken het nieuwe gidsland is. Miljoenen bezuinigen? Er moet geld bij!

Mijn kleine spookblog

23 jan

Ik: “Je moet zelf even dat spook wegjagen, ik zit te lezen.”
Keetje B (3): “Spook, ga terug naar je eigen land!”

Zoon (5) vond bij de bieb een fijn, oud prentenboek. Het kleine spookje Laban van Inger en Lasser Sandberg. In Zweden kun je dekbedovertrekken en rugzakken van Laban kopen, maar hier is hij een vrij obscure kinderboekenheld. Of anti-held liever. Laban woont in een kasteel met zijn spokenouders en zijn zusje Labolina. ‘s Avonds moet hij met zijn vader mee om de koninklijke familie de stuipen op het lijf te jagen. Wat ronddolen, met kettingen rammelen. Het kleine spookje vindt het eigenlijk allemaal veel te eng. En hard “BOE!” roepen kan hij helemaal niet. Zijn vader vindt hem een steeds grotere minkukel. Gelukkig ontdekt Laban dat er meer is dan een beetje rondspoken.
Ik ben geen fan van thematisch, pedagogisch verantwoord voorlezen (kindje potje, boekje over kindje potje), maar dit boek kwam echt precies op het goede moment. Sinds mijn kinderen Laban kennen, zijn spoken geen noemenswaardig issue meer in huis. Keetje B was af en toe een doodsbange peuter. Nu is ze een koelbloedig ghostbustertje.

Het boek is uitverkocht, maar misschien doet dit filmpje de truc ook:

Aardige politie

14 mei

Foto: Vierdrie.nl op sxc.hu Willy Alberti is niet mijn opvoedgoeroe. Ik bouw geen muurtje om mijn kinderen heen. Dat gaat niet. En ik wil het eigenlijk ook niet. Het uitzicht is namelijk zo heftig als het dan later alsnog instort. Wel probeer ik om moeilijke onderwerpen een beetje geruststellend uit te leggen. Helaas dringt de werkelijkheid zich soms zo hard op dat de gezellige kinderversie van een drama niet meer klopt. Oh nee, mensen gaan toch niet alleen dood als ze heel, heel oud zijn. Oh nee, mensen gaan toch niet alleen dood als ze heel, heel ziek zijn.
Nog een voorbeeld: Zoons vriendinnetje verhuist naar Zimbabwe. Ik vertelde dat dit een land is waar de politie niet aardig is, zoals bij ons. En dat haar vader daar juist graag wil werken, om er met mensen daar iets aan te doen. Redelijk verhaal, dacht ik. Tot gisteren. Ik zat te tikken aan een artikel over vreemdelingendetentie in Nederland.
Zoon vroeg: “Mama, wat doe je?”.
“Ik schrijf een verhaal over een meneer die in de gevangenis kwam terwijl hij niets gedaan had.”
Zoon: “Gelukkig wonen wij niet in dat land.”
Oh ja, dat van die aardige politie geldt vooral als je hier geboren bent. En dan weer niet voor Milly Boele. Oké, ik geef toe. Dit keer had ik gewoon Alberti-stijl moeten zeggen: “Het gaat over hondenvoer.”

Jonathan S. Foer

15 jul

oscarschell310x100Jonathan Safran Foer had een aantal redenen om zijn boek Extremely loud & incredibly close te noemen. Eén daarvan was de fantasie van een vriend van hem. Zijn droom: dat zijn lievelingszanger vlak naast hem zou komen staan en keihard zijn lievelingsnummer zou zingen. Extreem luid en ongelooflijk dichtbij. Foer vertelde dat een tijd terug tijdens een lezing. Sindsdien vergis ik me nooit meer in de ingewikkelde titel.
Het lijkt me vreselijk eigenlijk. Dat geschreeuw in je oor en dan zo in je ruimte. Ik fantaseer wel vaak dat Foer en zijn vrouw Nicole Krauss bij mij in de straat wonen. En, als ik dan griep heb, dan komen ze om beurten even langswippen om wat nieuw werk voor te lezen. Extreem fijn en ongelooflijk onwaarschijnlijk. And yet.

(Lees net dat Foer helemaal geen zin heeft om een nieuwe roman te schrijven en bezig is met non-fictie over intensieve veehouderij ofzo, maar dat mag ook)

Wat helpt

10 jul

boomtegenlucht310x100Het zijn sombere tijden in huize Mama Leest. Mijn kinderen zet ik schaamteloos in voor bezigheidstherapie. Dat helpt om niet steeds denken aan mijn vriendin die er niet meer is. Het helpt dat ik regelmatig waterpistolen moet vullen of broekspijpen om moet slaan. Het helpt als mijn dochter met haar broers zwembroek over haar hoofd door de kamer rent. En, die prettige bonus van het moederschap, een plank vol nieuwe kinderboeken, helpt ook. Ot Jan Dikkie, die met zijn opa praat over de dood en de mogelijkheden om kroketten mee te nemen naar het hiernamaals, ofwel de maan. ‘“Dan kom ik wel op bezoek,” zegt Ot Jan Dikkie, “En als je dan niet meer dood bent, kunnen we daar grapjes over maken.” “Dat zou wel leuk zijn,” zegt opa, “maar meestal blijven dode mensen dood.”’ Ook Kikker is bedroefd van Max Velthuis helpt tegen gemiesmuis. Maar goed, al met al werkt het allemaal blijkbaar niet voldoende. Zo dacht ik gisteren dat ik het toch maar knap deed, niet steeds huilen, maar gewoon netjes op de bank zitten, beetje nadenken. Ineens keek Zoon geërgerd op van zijn Duplo en zei: “Mama, iederéén gaat dood, hoor. Alleen K ging als eerste.” Betrapt…

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.