Gewoon Harry

22 Mei

Thea Stilton 310x100Keetje B (7) leest mij voor uit zo’n boek met muizen en drukke typografie. Het thema: flamenco. Een van de personages heet Joaquin. Keetje blijft steken bij dat woord. Joaquin. “Dat is een Spaanse naam”, zeg ik en bedenk hoe Jennifer Lopez dit zou uitspreken: “Volgens mij zeg je whakien of zjwoahkien ofzo.” “Laat maar”, zegt Keetje B ongeduldig: “Als ik dat woord zie, denk ik gewoon: Harry.” Opgelost en doorgelezen.

Een paar maanden later ontdek ik dat Keetjes “denk gewoon: Harry”-truc een veel breder toepassingsgebied heeft dan het lezen van te moeilijke woorden. Bij Psychologie Magazine zit een boekje over Lichter Leven. Psycholoog Gijs Jansen adviseert daarin om bij piekeren een beetje afstand tot je gedachten te nemen. Je hoeft ze volgens hem niet weg te drukken, te negeren of relativeren. Gewoon ernaar kijken, accepteren dat ze er zijn. Hij stelt in het boekje ook voor om een gestalte te bedenken voor je verstand, bijvoorbeeld een gremlin. Een geschikte naam oppert hij ook: Harry.

Advertenties

Soundtrack

5 Sep


Het brein genereert soms een veelzeggende soundtrack. Na de geboorte van mijn eerste kind had ik alsmaar Yesterday van The Beatles in mijn hoofd. Of eigenlijk alleen de oorwurm “I’m not half the man I used to be”. Pas na een paar maanden drong mijn eentonige geneurie tot me door. En daarmee het besef dat het hoog tijd was voor een ander deuntje. Hoog tijd om te accepteren dat ik als jonge moeder tijdelijk zou functioneren op het niveau van een verkouden slak. En dat dit een hele gezellige reden had: de baby, die elke dag groter en liever werd. Een beetje meer Isn’t she lovely dan melancholische Beatles.

De afgelopen dagen verkeerde ik in een staat van algehele malaise. Moe, pijn in mijn nek. Maar vanmorgen werd ik overvallen door een kleine opstandige polonaise. Mien, waar is mijn feestneus. Uit het niets op 1 in de Interne Top 10. De carnavalsstemming heeft het oppervlakteniveau nog niet bereikt. Maar onderbewust gaat ‘ie blijkbaar lekker.

Inner peace

29 Nov

In het ruim van een schip ligt een pakje met mijn adres erop. Daarin zit een boek met ergens in de titel “inner peace”. Ik heb dit zelf besteld en ik was niet dronken. Hoe goed het zelfhulpboek straks ook is, mijn innerlijke 25-jarige zal nog een tijd met haar kop tegen de muur blijven beuken. Soms lijkt het alsof er een miniatuurtje van haar in mijn hoofd woont, dat soms wanhopig roept: “Wat is er met je gebeurd?”

Aan het eind van de vorige eeuw vroeg ik mijn vrienden om mij een ram voor mijn kop te geven als ik:

a. na mijn 30ste nog zou dansen in het openbaar
b. een creatieve cursus zou volgen om mezelf lekker te ontwikkelen
c. een aanzienlijk deel van mijn boekenkast uit zelfhulpboeken zou bestaan
d. alsnog spiritueel zou worden

Dankzij de Spiritest van Trouw weet ik dat ik qua puntje d nog redelijk op koers zit. Maar nu ik de Flow-gerechtigde leeftijd ruimschoots bereikt hebt, kan ik me ineens niet meer zo goed herinneren waarom a, b en c zo belangrijk waren. Of eigenlijk, ik weet het nog precies, maar ik houd me niet aan mijn afspraken. Voor een deel komt dat door dat gevoel van bevrijding, waar ik vrouwen van 40 altijd al over heb horen praten. Laatst was ik bijvoorbeeld bij een concert. De zanger vroeg het publiek om dichterbij het podium te komen. Daarmee bedoelde hij vast niet de herintredende moeders met handtassen. Maar who cares? Natuurlijk kwam ik dichtbij het podium. Gezellig!

Soms ben ik bang dat er meer speelt dan een gezonde bevrijding van gene. Mijn creatieve geontwikkel, het oeverloze concertbezoek, dit geblog… Het zijn volgens mij gewoon manifestaties van een dames-midlifecrisis. Een crisis ja, inclusief strohalmen en slecht gekozen schuilplaatsen. Voorlopig wacht ik tot het schip met de oplossing uit Amerika er is, maar misschien is het effectiever als iemand mij snel even een ram voor mijn kop komt geven.

(Mijn H: “Inner peace? Nou, dat liekt mie wel wat vies.”)

Foto: sxc.hu

Mauro in Disneyland

31 Okt


Volgens de Franse filosoof Baudrillard (1929-2007) bestaat Disneyland om ons zand in de ogen te strooien.  Het pretpark verhult dat Amerika buiten Main Street U.S.A. even onecht is. De kinderlijke, felgekleurde wereld met de saloon, de Mickey Mouse Parade en roze lollies geeft ons het gevoel dat elders de volwassenen wonen. In het ware leven.

Als je Disneyland uitstapt, wacht daar eerst de desolate parkeerplaats. Het contrast tussen het suikerspinuniversum en het asfalt overtuigt je nog eens extra van de grens tussen fantasie en werkelijkheid. Hierdoor heb je niet door dat je – terug in Los Angeles – ook in een hyperrealistisch decor rondrijdt. Bij Baudrillard is het verlaten van Disneyland een perfect overgangsritueel, zodat je zonder twijfels de gewone wereld kunt accepteren zoals deze je wordt voorgeschoteld.

Ik moet hier steeds aan denken bij de berichten over Mauro. It’s a small world after all. Zou hier een soortgelijk mechanisme van toepassing zijn? Bevestigt de zaak Mauro ten onrechte het beeld dat immigranten in principe een rechtvaardig welkom krijgen?

We herhalen het steeds: dit is het ‘schrijnende’ geval. Maar is dat wel zo? En zou het zo zijn dat kiezers nu gesterkt zijn in hun vertrouwen dat politici zich heus opwinden als er ‘echte’ misstanden zijn? Zou het zelfs kunnen dat de zaak Mauro voor dit doel uitgebuit wordt?

Misschien is dat te cynisch. Het kan zijn dat de aandacht voor Mauro organisaties als Vluchtelingenwerk en Amnesty helpt. Bijvoorbeeld bij hun strijd tegen onze gewoonte om asielzoekers zonder proces op te sluiten. En er zijn vast ook veel mensen die zich herkennen in de column van Bas Heijne over onze stijl van omgaan met immigranten (samengevat, de titel was ‘schaamte’). Toch zal het door mijn hoofd schieten, als Mauro toch mag blijven.
Is dit een dagje Disneyland?

Handgeschreven monument

3 Mei

Hij had een winkel op de hoek van de Korte en Grote Houtstraat. Hij was drie jaar ouder dan ik toen hij stierf. Dat was in Polen, in 1944. Hij had dezelfde achternaam als Anne.  Zonet schreef ik zijn naam op. André Frank. Nu blijf ik aan hem denken.

Ruim 700 Joodse Haarlemmers werden weggevoerd in de Tweede Wereldoorlog. Zij kwamen niet terug, heet dat dan. Vermoord. Bij het Noord-Hollands Archief kun je vandaag en morgen een naam opschrijven van één van die Haarlemmers. Zo ontstaat een handgeschreven ‘mo(nu)ment van herinnering’.

Het papier is kwetsbaar. Blijven de namen hangen? De mensen die even uit de lentezon bij het archief binnenlopen, zullen in elk geval die meterslange lijst met namen niet vergeten. En zeker niet die ene naam op dat briefje. Wie was dat? En hoe zou de stad zijn geweest als hij of zij in vrijheid had kunnen leven, zolang als de natuur dat bedacht had?

Schrijf mee is op 3 mei tot 20:00 en op 4 mei van 09:00 tot 16:00. Je kunt gewoon binnenlopen bij het Noord-Hollands archief, Jansstraat 40.

Mentale rampoefening

20 Apr


In de jaren ’90 werkte ik heel kort in een lunchcafé waar alleen lesbische stellen en de chiquere zwerver kwamen. De zwervers zag ik vaak later op de dag in de kantine van de universiteitsbibliotheek, waar ze hardop lazen in Kierkegaard. Mijn zus kwam eens langs in het café en zei: ‘Het doet me een heel klein beetje aan Fawlty Towers denken.’ Ik kon namelijk wel – met glimlach – heel netjes de koffie en broodjes op tafel zetten, maar verder deed ik alles rennend, met rode wangen en veel pannengekletter.

De indrukwekkendste klant was de Britse A., die altijd koffie of een glas rode wijn bestelde. Wat het ook was, na een aantal slokken begon hij erbarmelijk te huilen. Geen zacht gesnik met de blik naar de tafel, maar echt janken met tranen. Ik bracht dan soms een glaasje water, maar meestal ging ik even naar de keuken. Mijn vriendin, die op andere dagen werkte, ging wel met hem praten en ze vertelde me dat hij zijn kinderen in Engeland niet meer mocht zien. Hij werd alsmaar overvallen door gedachten aan wat hij had gehad. Triest geval, concludeerden we, maar we moesten ook een beetje lachen om zo’n vreemde vogel in de lunchtent.

Lang dacht ik, als ik ooit aan lager wal en echt in de war geraak door het leven zelf, dan zal ik kluizenaar zijn. Zoals een buurtgenoot, die het licht uitdoet met Sint Maarten en nooit bezoek krijgt. De meeste mensen die ik ken zullen na grote rampspoed aan de drank gaan of gewoon noest doorleven, maar ik zou dus een beetje vervuilen en de gordijnen dichthouden. De vrouw die alles had, maar zich toen afsloot. Inmiddels weet ik dat dit wishful thinking was. Ik moet zorgen dat ik mijn hoofd erbij houd, want ik heb meer A. dan kluizenaar in me. Zelfs nu ik bijna alles nog heb, kan ik het ene moment vrolijk meebrullen met Blondie op de radio om vervolgens totaal onverwacht in huilen uit te barsten. Dit weekend in Parijs moest ik snikkend de übertoeristische Place du Têtre verlaten, denkend aan een oud schoolreisje.

Het is natuurlijk niet zo nuttig om na te denken over de vraag wat voor gek je mogelijk zult worden. En oneerlijk, omdat een melancholische aard en zware psychische problemen heel ver uit elkaar liggen. Ik zag A. waarschijnlijk toen het eigenlijk nog heel goed met hem ging.

Gezonder dan mijn mentale rampoefening is het lezen van boeken over mensen op de rand van diepe melancholie / jeugdsentiment en gekte. Eventueel kan ik dan in de beslotenheid van de slaapkamer een beetje snikken. Bijvoorbeeld bij Baby Storm van Wanda Reisel, Buzz Aldrin, Waar ben je gebleven van Johan Harstad of – net uit – Magnus van Arjen Lubach.

Shteyngart moet je nu lezen

15 Mrt


‘Pas op met puberale parafernalia, zoals iPhones’, waarschuwde de schrijfjuf. Logisch, want bij de cursus Korte Verhalen voor Beginners ligt de lat natuurlijk bij het schrijven van tijdloos, universeel aansprekend proza. Literatuur. En dat lukt niet als je van die gadgets in je tekst stopt die drie maanden later alweer vergeten zijn. Gelukkig heeft Gary Shteyngart deze gouden regel genegeerd.

Shteyngarts satirische roman Super Sad True Love Story speelt in de ‘zeer nabije toekomst’. Iedereen heeft een ‘äppärät’, een soort iPad 8. Mensen gebruiken het voor vrijwel alle sociale contacten. Als je over straat loopt, verschijnt in zuilen informatie over je bloedruk, je cholesterolgehalte, je vermogen en je fuckability-score. De enige inbreuk op de privacy waar mensen nog aanstoot aan lijken te nemen, is een praatje maken buiten het äppärät om.

Voor Lenny Abramov, 39, zijn alle veranderingen te snel gegaan. In het vliegtuig vraagt zijn buurman hem om zijn boek weg te leggen, omdat het stinkt. Doordat hij die papieren dingen hardnekkig blijft aanschaffen, blijft zijn persoonlijkheidsscore laag.

Lenny heeft een baan bij Post-Human Services, een keihard bedrijf dat onsterfelijkheid verkoopt aan de superrijken. Zijn rol daar is onduidelijk. De kans dat hij zelf in aanmerking komt voor de eeuwige jeugd lijkt steeds kleiner. Daarbij wordt hij – hoe ouderwets – smoorverliefd. Zijn liefde, Eunice Park (24), is een kind van haar tijd. Persoonlijkheid kun je kwantificeren, uiterlijk is alles. Dat zij toch al snel bij Lenny intrekt, is meer toeval dan true love.

Voor Shteynbergs äppärät geldt de waarschuwing van de schrijfjuf natuurlijk niet helemaal, want het bestaat niet echt en het heeft futuristische functionaliteiten. Maar: Shteyngart gebruikt het om zijn visie te geven op de technologie die we nu gebruiken. Waaronder die vermaledijde iPhone, die kort voorbij komt als relikwie. Net als websceptici als Nicholas Carr en Sherry Turkle lijkt hij te vrezen dat we afstevenen op een keiharde, snelle samenleving waarin ingewikkelde emoties als empathie verdwijnen. En dat maakt dit dus geen tijdloos werk, maar een ‘get it while it’s hot’-roman. Daarom is het ook zo wonderlijk dat er nog geen vertaling van verkrijgbaar is. Want dit boek moet je nu lezen.